Aan de politieacademie in Apeldoorn volg ik een HBO opleiding tot politiekundige. Het kleine opleidingsgebouw ligt middenin het bos en is omgeven door uitgestrekte sportvelden (waar ik een hekel aan heb), een sporthal met dojo (waar ik een grotere hekel aan heb) en een stormbaan (waar ik de grootste hekel aan heb).

Die stormbaan bestaat uit een houten parcours met hoge muren om overheen te klauteren, touwen om aan te slingeren en andere hindernissen om doorheen te kruipen of vanaf te springen. Aangezien mijn sportiviteit niet veel verder reikt dan twee keer per week een rondje hardlopen, klikt het niet zo tussen mij en die baan. (Tussen mij en de sportdocent trouwens ook niet, maar dat is weer een ander verhaal). Ik zie het nut er gewoon niet van in.

Vrijwel iedere dag staan sportlessen op het rooster, variërend van zwemmen en judo tot zelfverdediging, hardlopen of dus die stormbaan. Ook vandaag is het weer raak. Moedeloos hijs ik me in mijn blauwe overall en legerkisten en sjok naar buiten.

De sportdocent staat ons grijnzend op te wachten bij de ingang van het bos. Naast hem op de grond ligt een brancard. Dat belooft weinig goeds. ‘Vandaag doen we de stormbaan anders dan anders. Jullie hebben een uur de tijd en nemen één persoon mee op deze brancard. Een minuut om te beslissen wie.’ Zeventien hoofden draaien mijn kant op.

Zwakjes stribbel ik tegen. ‘Ik ben veel zwaarder dan ik eruit zie. Echt. En ik weet ook nog niet zo goed hoe ik denk over dat hele vastbinden en zo.’ Maar voor ik het doorheb, lig ik op de plank en word met vijftien touwen stevig vastgesnoerd.

Bij iedere hindernis barst een uitgebreide discussie los. ‘Misschien moeten we haar gooien’, oppert een van mijn klasgenoten als ik op een torenhoog onderdeel lig. Het zweet breekt me uit. Niet gooien. Niet gooien. Uiteindelijk besluiten ze de brancard aan touwen te binden en me naar de overkant slingeren, waar de sterkste mannen klaarstaan om te vangen. Ik gil de longen uit mijn lijf als ik met mijn hoofd naar beneden over de rand word geduwd.

Pas na twee uur hebben we de hele stormbaan gehad. Gelukkig. Eindelijk mag ik los. De docent komt aanmarcheren en kijkt niet blij. Jullie hadden een uur de tijd. Geen twee. Opnieuw. En dit keer wordt niet gepraat. Tien keer opdrukken voor ieder woord dat ik hoor. Verbijsterd staart de hele klas hem aan. Ik opper nog snel dat ik best wil ruilen. Niemand luistert.

Dat ‘niet praten’ blijkt een gouden vondst. Iedereen gaat aan de slag, zonder te klagen of discussiëren. Ik voel me bovendien een stuk veiliger nu niemand rare ideeën als overgooien of takelen kan opperen. Twintig minuten later staan we aan de overkant van het parcours en mijn hartslag komt langzaam tot bedaren. En – eerlijk is eerlijk – vandaag heb ik er zelfs iets van geleerd. Als het erop aankomt is politiewerk toch vooral een kwestie van doen. Weg met dat overleg.

Werken-bij-de-politie-Marlene

Over de auteur

Marlene

Marlene Rooseman beleefde bizarre dingen tijdens tien jaar politiewerk in Amsterdam. Ontwikkelde daar al snel haar sterkste wapen: duidelijke taal. Schreef prachtige politieverhalen als eindredacteur en heeft nu haar eigen bedrijf genaamd BureauTekst. No shit… een tekstbureau. Woont met man, dochter en hond in Amsterdam-Noord. Probeert om de dag te sporten maar “vergeet” dit regelmatig. Guilty pleasures: Donald Ducks, insanity, candy crush saga (zonder mensen te spammen op Facebook hoor) en chocola. Véél chocola.