Klappertandend kom ik ’s avonds laat aan op het werk. Er ligt al een flink pak sneeuw en volgens de weersvoorspellingen zal dit nog stijgen. Valpartijen, aanrijdingen, zwervers die van straat moeten; waarschijnlijk wordt het geen rustige nachtdienst. Ik rits de warme wintervoering in mijn uniform en pak mezelf extra dik in.

Het is al diep in de nacht als mijn collega en ik de melding krijgen dat ergens in een Amsterdams park een vrouw in de sneeuw ligt. Het is niet bekend aan welke kant en we krijgen de melder telefonisch niet te pakken. Om het risico uit te sluiten dat we vast komen te zitten in de sneeuw, parkeren we de auto en lopen met grote zaklampen het uitgestorven park in. De knerpende sneeuw onder onze schoenen is het enige geluid dat de ijzige stilte doorbreekt.

Dronken

Net als we onze zoektocht willen staken, zien we een groepje mensen: drie mannen en een vrouw in een lange witte jas. ‘Dat werd eens tijd hè’, snauwt de jongste man. ‘Ik heb jullie verdomme drie kwartier geleden gebeld.’ De vrouw – zichtbaar dronken – is een stuk vrolijker. ’Luister maar niet naar die chagrijn hoor mop’, lalt ze. ‘Hij is gewoon boos omdat ik bijna over zijn dure gympies heb gekotst.’ Ze zet een stap, valt voorover in de sneeuw en blijft roerloos liggen.

Warmwrijven

Samen met mijn collega til ik de vrouw uit de sneeuw en parkeer haar op een bankje. Gierend van het lachen rolt ze er weer vanaf. Een ambulance lijkt ons overbodig dus we besluiten haar naar huis brengen. Waar dat is? Geen idee. De vrouw weet zich alleen haar voornaam te herinneren. Mijn collega belt de wijkagent en ondertussen bedank ik de drie mannen voor hun behulpzaamheid. ‘Sorry hoor, voor wat ik net zei’, zegt de jongste. Mijn telefoon viel uit, dus ik kon jullie niet terugbellen. We stonden hier maar te wachten en het is echt koud.’ Dat klopt. Ik voel mijn vingers amper en kan niet meer stoppen met rillen. De man ziet het, pakt mijn handen en wrijft ze warm. Stomverbaasd zet ik een stap achteruit en stamel een bedankje.

Grootste lol

Het telefoontje naar de wijkagent leert ons dat een alcoholiste genaamd Annemarie vaak in het park rondhangt. We krijgen haar adres, een paar straten verderop. We plukken de vrouw weer uit de sneeuw en gaan op pad. Hilariteit alom. De vrouw heeft voortdurend de slappe lach en wankelt tussen ons in als Bambi die leert lopen. Gelukkig hebben we de juiste Annemarie te pakken: haar sleutels passen in het slot van het opgegeven adres. We leggen haar op bed, zetten een glas water tussen de verzameling bierblikjes op het nachtkastje en trekken de voordeur achter ons dicht. Op naar de volgende.

Kwetsbaar

Inmiddels is het jaren geleden en nog steeds denk ik weleens terug aan deze dienst. Niet vanwege de lol om de dronken vrouw maar vanwege de man die zomaar over mijn koude handen wreef. Ik schrok ervan. Voelde me kwetsbaar. In een uniform ben je opeens agent, “de politie.” Dan deel je boetes uit en plukt dronken mensen van straat. Dat zorgt meestal voor een automatische afstand. Bij deze man niet. Die zag mij. Gewoon een meisje in een blauwe jas, rillend van de kou. En even bracht hij wat warmte, daar in die koude sneeuw.’

Carriere-switch-politievrouw-Marlene-Rooseman-schrijfster

Over de auteur

Marlene

Marlene Rooseman beleefde bizarre dingen tijdens tien jaar politiewerk in Amsterdam. Ontwikkelde daar al snel haar sterkste wapen: duidelijke taal. Schreef prachtige politieverhalen als eindredacteur en heeft nu haar eigen bedrijf genaamd BureauTekst. No shit… een tekstbureau. Woont met man, dochter en hond in Amsterdam-Noord. Probeert om de dag te sporten maar “vergeet” dit regelmatig. Guilty pleasures: Donald Ducks, insanity, candy crush saga (zonder mensen te spammen op Facebook hoor) en chocola. Véél chocola.